épinettes-NL

 

In navolging van het werk van mijn grootvader, Marcel Gaspard, heb ik meer dan 3 000 instrumenten gebouwd, terwijl ik constant heb gezocht naar de verbetering van de citer met begeleidingssnaren genaamd de spinet van de Vogezen (l’épinette des Vosges). Deze veeleisendheid heeft zijn invloed zowel op de kracht, de rijkdom van de toonkleur, de betrouwbaarheid van het akkoord en het speelgemak als op de zuiverheid van de lijnen, het tot zijn recht laten komen van het hout en de zorg die besteed wordt aan de afwerking.

 

Ik gebruik bijna uitsluitend inheemse houtsoorten, zoals fruitbomenhout (wilde kersen, noten, peren, kwetsen), esdoorn, vuren, hulst ; bomen waarvan ik meestal zelf het zagen en het drogen heb uitgevoerd of waarop ik heb toegezien. Vanaf het afzagen van de plank tot aan het slotakkoord vinden alle handelingen plaats in mijn atelier, in de mooie vallei van Menaurupt.

 

De mechanische gitaaronderdelen worden gekocht bij Helmut Schaller in Beieren ; de mandoline stemschroeven bij Manuel Fustero in Barcelona ; de citerstempinnen bij Julius Klinke in Westfalen. De snaren zijn meestal afkomstig van de firma Manucorde in de Dordogne (zuid-west van Frankrijk).

 

Voor alle assemblages gebruik ik in principe Amerikaanse gele lijm, dit is een onoplosbare vinyl lijm. Mijn epinetten krijgen een dunne cellulose laag die ze beschermt tegen het vuil, daarna worden ze gepolijst met een beetje lijnolie, propolis, of poetslak.

 

Zie voor meer informatie mijn catalogus, die ik u desgewenenst op kan sturen.

 

 

De Epinette en een van haar scheppers

 

 

New FolkSounds nr. 7, februari 1989

 

Michael Collins

 

Ongeveer anderhalf jaar geleden had ik het geluk om een oude, handgemaakte épinette des Vosges te kunnen kopen voor de belachelijk lage prijs van f 95,00. Het instrument stond, vervallen en onbekend, in de rommelbak van een Amsterdamse muziekhandel. Het was van massief hout, notenhout en donker perenhout, en het achterblad was van esdoorn. De verf ontbrak op verschillende plekken en was, in jeder geval, verkleurd. De scratch plate (van hout) was gespleten en hing half los; de stempennen waren versleten en ingekrompen. Maar het geheel was bekroond met een zeer mooi uit hout gesneden vrouwenhoofd. lk kon het niet laten staan.

 

Ik heb het ding mee naar huis genomen en er vier weken lang aan gewerkt om de kapotte onderdelen te vervangen, de oude kleuren te verwijderen, de oppervlakten weer effen te krijgen… Toen al het vuil er af was heb ik de naam van de bouwer ontdekt: R. Clair, Les Ménestrels, Gérardmer.

 

Gérardmer, een klein wintersportoord in het zuiden van de Elzas, ken ik uit mijn studietijd, daar ik een jaar als student in Straatsburg vertoefd heb. Ik ken de streek vrij goed. Ik schreef een brief naar het ‘adres’ om vragen te stellen over snaren, stemmingen enzovoorts, en kreeg vrij snel liefer twee brieven terug. Deze gingen over de oorsprong van mijn instrument, het stemmen van, plus een paar publiciteitsbrochures. Ik werd nieuwsgierig. De beslissing viel vrij snel: een najaarsvakantie in Zuid-Elzas! Want wat bleek: de bouwer van mijn instrument was bevriend geweest met een andere instrumentbouwer wiens kleinzoon het vak heeft voortgezet. Deze, Christophe Toussaint, is toevallig getrouwd met een dame, wier ouders een paar vakantiehuisjes onderhouden.

 

 

De bouwer en zijn omgeving

 

Wij logeerden daar in een huisje met een uitzicht waar je van droomt. Groene, golvende weilanden, zachte hellingen, schapen, zonlicht, blauwe hemel, dennebomen en daartussen loofbomen met alle kleuren van de herfst. Zelfs het weer viel mee: van de zeven septemberdagen waren er vijf met temperaturen van boven de 20 graden. Op een afstand van ongeveer vijftig meter stond de werkplaats van Christophe Toussaint, instrumentbouwer en muzikant. Het hele gebied aldaar staat in het teken van de houtindustrie.

 

 

Christophe Toussaint heeft zich voornamelijk in de ‘épinette des Vosges’ gespecialiseerd. Hiervan fabriceert hij er een stuk of tachtig per jaar, plus enkele aanverwante instrumenten zoals de langeleik, de hommel, de langspil en de scheitholt. Hij is ook een erkend animateur op scholen, waar hij cursussen geeft in instrumentbouw en in het maken van traditionele muziek. inmiddels heb ik ontdekt dat hij in staat is om zijn fantasie aan het werk te zetten en practisch alles uit hout te vervaardigen, inclusief een zeer mooi harpje dat hij maakte, zonder daarbij een voorbeeld-exemplaar onder ogen te hebben. Ook heeft hij de épinette volwassen gemaakt door het oorspronkelijke instrument te combineren met een tweede klankkast van dennehout, waardoor het geluid aanzienlijk versterkt wordt en de basklanken beter tot hun recht komen.

 

 

Geschiedens

 

Volgens Christophe Toussaint heeft het instrument een zeer interessante geschiedenis gedurende de laatste tweeënhalve eeuw De Elzas was tot voor kort vrij ontoegankelijk:

 

hoge bergen, dikke bossen, rivieren en – ‘s winters – onrustige klimaatomstandigheden. Dit betekende dat de bevolking voor een flink deel van het jaar afgesloten was van de buitenwereld. Vooral in de winter kon dit zeer gelovige volk met moeite naar de kerk gaan of, zoals vaak gebeurde, op het Franse platteland, kon men geen bezoek verwachten van de reizende geestelijken. De boerengemeenten waren derhalve gedwongen om zelf hun zondagse dienst te verzorgen, en zij vervingen de eucharistie door een dienst tijders welke zij gebeden en gezongen werd. Om wat muzikale begeleiding daarbij te verkrijgen maakten zil zelf de épinette die, op tafel geplaatst en getokkeld, hun gezang kon onder steunen. Het instrumentje is buitengewoon geschikt om kerkliedjes te begeleiden: kerkmuziek was (en is nog steeds gedeeltelijk) modaal. evenals alle instrumenten die tot de familie van de épinette behoren. Later, toen het toerisme zijn moderne vormen begon aan te nemen, hebben de bezoekers van elders in het land de plaatselijke muziek en instrumenten ontdekt. Zij wilden allemaal zo’n klein tokkel machientje mee naar huis nemen. Eén van de beroemdste bouwers. Amé Lambert.

 

 

De épinette wordt altijd uitgevoerd met drie of vier kleine pootjes op het achterblad gemonteerd, soms voorzien van spijkertjes met de puntjes naar buiten gekeerd. Hiermee bleef het instrument stevig op een boerentafel staan tijdens het spelen. Het tafelblad diende als klankbord.

 

 

 

 

 

 

Waar ik werk

 

 

In navolging van het werk van mijn grootvader, Marcel Gaspard, heb ik meer dan 3 000 instrumenten gebouwd, terwijl ik constant heb gezocht naar de verbetering van de citer met begeleidingssnaren genaamd de spinet van de Vogezen (l’épinette des Vosges). Deze veeleisendheid heeft zijn invloed zowel op de kracht, de rijkdom van de toonkleur, de betrouwbaarheid van het akkoord en het speelgemak als op de zuiverheid van de lijnen, het tot zijn recht laten komen van het hout en de zorg die besteed wordt aan de afwerking.

 

Ik gebruik bijna uitsluitend inheemse houtsoorten, zoals fruitbomenhout (wilde kersen, noten, peren, kwetsen), esdoorn, vuren, hulst ; bomen waarvan ik meestal zelf het zagen en het drogen heb uitgevoerd of waarop ik heb toegezien. Vanaf het afzagen van de plank tot aan het slotakkoord vinden alle handelingen plaats in mijn atelier, in de mooie vallei van Menaurupt.

 

De mechanische gitaaronderdelen worden gekocht bij Helmut Schaller in Beieren ; de mandoline stemschroeven bij Manuel Fustero in Barcelona ; de citerstempinnen bij Julius Klinke in Westfalen. De snaren zijn meestal afkomstig van de firma Manucorde in de Dordogne (zuid-west van Frankrijk).

 

Voor alle assemblages gebruik ik in principe Amerikaanse gele lijm, dit is een onoplosbare vinyl lijm. Mijn epinetten krijgen een dunne cellulose laag die ze beschermt tegen het vuil, daarna worden ze gepolijst met een beetje lijnolie, propolis, of poetslak.

 

Zie voor meer informatie mijn catalogus, die ik u desgewenenst op kan sturen.

 

 

De Epinette en een van haar scheppers

 

 

New FolkSounds nr. 7, februari 1989

 

Michael Collins

 

Ongeveer anderhalf jaar geleden had ik het geluk om een oude, handgemaakte épinette des Vosges te kunnen kopen voor de belachelijk lage prijs van f 95,00. Het instrument stond, vervallen en onbekend, in de rommelbak van een Amsterdamse muziekhandel. Het was van massief hout, notenhout en donker perenhout, en het achterblad was van esdoorn. De verf ontbrak op verschillende plekken en was, in jeder geval, verkleurd. De scratch plate (van hout) was gespleten en hing half los; de stempennen waren versleten en ingekrompen. Maar het geheel was bekroond met een zeer mooi uit hout gesneden vrouwenhoofd. lk kon het niet laten staan.

 

Ik heb het ding mee naar huis genomen en er vier weken lang aan gewerkt om de kapotte onderdelen te vervangen, de oude kleuren te verwijderen, de oppervlakten weer effen te krijgen… Toen al het vuil er af was heb ik de naam van de bouwer ontdekt: R. Clair, Les Ménestrels, Gérardmer.

 

Gérardmer, een klein wintersportoord in het zuiden van de Elzas, ken ik uit mijn studietijd, daar ik een jaar als student in Straatsburg vertoefd heb. Ik ken de streek vrij goed. Ik schreef een brief naar het ‘adres’ om vragen te stellen over snaren, stemmingen enzovoorts, en kreeg vrij snel liefer twee brieven terug. Deze gingen over de oorsprong van mijn instrument, het stemmen van, plus een paar publiciteitsbrochures. Ik werd nieuwsgierig. De beslissing viel vrij snel: een najaarsvakantie in Zuid-Elzas! Want wat bleek: de bouwer van mijn instrument was bevriend geweest met een andere instrumentbouwer wiens kleinzoon het vak heeft voortgezet. Deze, Christophe Toussaint, is toevallig getrouwd met een dame, wier ouders een paar vakantiehuisjes onderhouden.

 

 

De bouwer en zijn omgeving

 

Wij logeerden daar in een huisje met een uitzicht waar je van droomt. Groene, golvende weilanden, zachte hellingen, schapen, zonlicht, blauwe hemel, dennebomen en daartussen loofbomen met alle kleuren van de herfst. Zelfs het weer viel mee: van de zeven septemberdagen waren er vijf met temperaturen van boven de 20 graden. Op een afstand van ongeveer vijftig meter stond de werkplaats van Christophe Toussaint, instrumentbouwer en muzikant. Het hele gebied aldaar staat in het teken van de houtindustrie.

 

 

Christophe Toussaint heeft zich voornamelijk in de ‘épinette des Vosges’ gespecialiseerd. Hiervan fabriceert hij er een stuk of tachtig per jaar, plus enkele aanverwante instrumenten zoals de langeleik, de hommel, de langspil en de scheitholt. Hij is ook een erkend animateur op scholen, waar hij cursussen geeft in instrumentbouw en in het maken van traditionele muziek. inmiddels heb ik ontdekt dat hij in staat is om zijn fantasie aan het werk te zetten en practisch alles uit hout te vervaardigen, inclusief een zeer mooi harpje dat hij maakte, zonder daarbij een voorbeeld-exemplaar onder ogen te hebben. Ook heeft hij de épinette volwassen gemaakt door het oorspronkelijke instrument te combineren met een tweede klankkast van dennehout, waardoor het geluid aanzienlijk versterkt wordt en de basklanken beter tot hun recht komen.

 

 

Geschiedens

 

Volgens Christophe Toussaint heeft het instrument een zeer interessante geschiedenis gedurende de laatste tweeënhalve eeuw De Elzas was tot voor kort vrij ontoegankelijk:

 

hoge bergen, dikke bossen, rivieren en – ‘s winters – onrustige klimaatomstandigheden. Dit betekende dat de bevolking voor een flink deel van het jaar afgesloten was van de buitenwereld. Vooral in de winter kon dit zeer gelovige volk met moeite naar de kerk gaan of, zoals vaak gebeurde, op het Franse platteland, kon men geen bezoek verwachten van de reizende geestelijken. De boerengemeenten waren derhalve gedwongen om zelf hun zondagse dienst te verzorgen, en zij vervingen de eucharistie door een dienst tijders welke zij gebeden en gezongen werd. Om wat muzikale begeleiding daarbij te verkrijgen maakten zil zelf de épinette die, op tafel geplaatst en getokkeld, hun gezang kon onder steunen. Het instrumentje is buitengewoon geschikt om kerkliedjes te begeleiden: kerkmuziek was (en is nog steeds gedeeltelijk) modaal. evenals alle instrumenten die tot de familie van de épinette behoren. Later, toen het toerisme zijn moderne vormen begon aan te nemen, hebben de bezoekers van elders in het land de plaatselijke muziek en instrumenten ontdekt. Zij wilden allemaal zo’n klein tokkel machientje mee naar huis nemen. Eén van de beroemdste bouwers. Amé Lambert.

 

 

De épinette wordt altijd uitgevoerd met drie of vier kleine pootjes op het achterblad gemonteerd, soms voorzien van spijkertjes met de puntjes naar buiten gekeerd. Hiermee bleef het instrument stevig op een boerentafel staan tijdens het spelen. Het tafelblad diende als klankbord.

 

 

Traditioneel karakter

 

Het atelier Toussaint ligt tussen zeer rijk bebosde heuvels. De instrumentbouwer gebruikt dan ook uitsluitend hout uit de omgeving, van bomen als de den, de olm, de esdoorn en vruchtbomen. Zodoende behouden deze instrumenten hun traditionele karakter qua klank en qua aanblik. Christophe Toussaint gaat zelf op zoek naar materiaal in de natuur, kapt de boom, laat het hout op zijn erf drogen voor een periode van twee jaar, kiest de beste porties daarvan, zaagt alles zelf op maat, enzovoorts, enzovoorts. Zijn instrumenten zijn dus van het begin tot het eind door dezelfde artisan gemaakt. De basissoorten zijn de relatief kleine épinette du Va1 d’Ajol (lijkt op onze hommel) en de wat grotere épinette de Gérardmer. Bovendien fabriceert de heer Toussaint wat hij zelf pièces d’imagination noemt: instrumenten met allerlei vormen Er hangt bijvoorbeeld aan de muur van de werkplaats een half afgemaakte épinette in de vorm van een uil. In de tenstoonstellingsruimte is er een hele mooie in de vorm van een vrouw plus een paar met asymetrische vormen, dubbele en driedubbele klankkasten, soms zelfs met gescheiden klankkasten. Er is er zelfs één die uitgerust is voor een rockband: kleur, electrisch blauw, met ingebouwde microfoons en alles er op en er aan.

 

 

Plaatselijke industrie

 

Christophe Toussaint is, net als zijn grootvader, menuisier oftewelébéniste,dat wil zeggen, hij weet een hoop over houtsoorten en de bewerking ervan. De grootvader, Marcel Gaspard, werkte al jaren als timmerman ; hij maakte allerlei gebruiksvoorwerpen, zoals stoelen en tafels – voordat de groeiende toeristenindustrie en de belangstelling voor traditionele instrumenten hem zo ver brachten dat hij al zijn energie in de instrumentenbouw ging stoppen. Zijn kleinzoon Christophe, musicien en gediplomeerd houtbewerker, heeft de zaak in 1978 overgenomen toen grootvader Gaspard met pensioen ging.

 

Sindsdien heeft Christophe zich met andere luthiers et artisans verenigd. Deze mensen organiseren gezamenlijke exposities van hun kunst – glas, foto’s, houtsnijwerk, steen, pottenbakken en muziekinstrumenten. Binnen een straal van 40 kilometer kan men drie instrumentbouwers aan het werk zien. Het tweede atelier is gespecialiseerd in gitaren en mandolines en in het derde treft men psalterions en rebecs aan. Tijdens ons verblijf aldaar waren deze instrumenten op een tentoonstelling in Fougerolles te bezichtigen. Alle instrumenten werden volgens traditionele methoden gebouwd. Ik kreeg echter de indruk dat hun psalterions groter waren dan wat ik tot nu toe gezien had: rijk versierde driehoeken, ongeveer 80 cm hoog. De tentoonstelling ging gepaard met muzikale voorstellingen van doorgewinterde muzikanten, maar ook van een groep jonge tieners die als orkest optraden, met trommels, belletjes, psalterions, getokkelde en gestreken épinettes. Enorm leuk om te zien hoe de plaatselijke muziektraditie zich voortzet.

 

 

Het instrument

 

De épinette behoort tot de familie van de citers, subgroep plankciters, waaronder ook instrumenten als de Appalachische dulcimer, het psalterion, de Noorse langeleik, de lJslandse langspil en zelfs de Amerikaanse Autoharp vallen. De fundamentele vorm is die van een rechthoekige of trapezoïdevormige klankkast met een variabel aantal snaren, gespannen over een licht gebogen of platte plank die de bovenkant vormt van de klankkast.

 

De aanduiding épinette des Vosges werd, zoals uit historisch onderzoek gebleken is, aan dit instrument toegekend om in de Franse taal een verschil te maken tussen het plaatselijke hakkebord en het meer beschaafde of bourgeois clavecimbel-achtige toetseninstrument (allebei épinette genoemd – in het Engels spinet). Een gelijksoortige taalverwarring is ook ontstaan rond de dulcimer en de hammered dulcimer – wel twee instrumenten van dezelfde familie, maar zeer verschillend qua vorm en speeltechniek.

 

Zoals al opgemerkt kent de traditionele épinette des Vosges twee basisvarianten: de kleinste uit het Val d’Ajol heeft een lengte van ongeveer 60 cm en is plusminus 8 cm breed en 5 cm diep. De tweede variant – waarvan ik een exemplaar bezit – is ongeveer 30 cm langer en, in het atelier van Christophe Toussaint, te vinden in allerlei vormen, waarvan de (mijns inziens) mooiste op een teardrop dulcimer lijkt en uit een dubbele klankkast bestaat. Dit instrument heeft een forsere basklank en is zeer geschikt voor instrumentale solostukken. De frets bestaan uit gebogen lengtes messingdraad die direct op de resonantieplank aangebracht zijn (geen vingerbord). De frets zijn geplaatst zoals op de Appalachische dulcimer. De vijf, zes of zeven snaren zijn doorgaans in G gestemd (soms in C). Dit betekent dat de eerste (twee) fret(s) vrijwel nutteloos is (zijn), tenzij de speler aan de stemming van de snaren gaat sleutelen. De bouwer (die tevens muzikant is) geeft toe dat practisch ieder deuntje met een gewijzigde stemming gespeeld wordt. Vaak slechts een kwestie van het verschil van een halve toon, om een mineur-toonsoort te verkrijgen. Omdat er persé geen frets onder de bourdonsnaren aangebracht zijn, blijven deze dezelfde toon (accoord) spelen, wat een doedelzakachtiggeluid geeft. (Ik werd trouwens laatst aan dit geluid herinnerd tijdens een optreden van Martin Carthy: voor veel oude liedjes stemt hij zijn gitaar zodanig dat het moderne instrument het geluid min of meer nabootst van de oude instrumenten).

 

De oude épinettes (vóór de negentiende eeuw) hadden slechts veertien frets, maar tegenwoordig zijn er zeventien. De afstanden tussen de frets maken dat het instrument in een diatonische (mixolydische) toonladder speelt.

 

De snaren zijn gewoon gitaarsnaren. Voor de melodiesnaren worden drie hoge E-snaren gebruikt (0.13 mm), alle drie op G gestemd. De drie bourdonsnaren kunnen bestaan uit de hoge E-, de B-en de G-snaar, of de hoge E-, de G-en de D-snaar (de laatste twee omwonden), gestemd op verschillende manieren. Meestal zijn ze op een open C- of G-accoord gestemd, dat wil zeggen: van hoog tot laag G – C – G (G-accoord), D – G – D (G-accoord), soms D – A – D (D-accoord) of zelfs C – G – C – E (C-accoord) voor (grotere) modellen met vier bourdonsnaren. Het is ook mogelijk om de bourdonsnaren op een E-accoord te stemmen (E – G – E) maar, zegt Toussaint, dit maakt het geluid nogal ‘ zwaar’. De lezer zal ondertussen begrepen hebben dat het stemmen van een épinette óf nogal willekeurig óf een kwestie van smaak is!

 

Mijn eigen (Toussaint)épinette is iets anders besnaard en ook iets anders gestemd. Twee van de melodiesnaren (alle drie G) liggen maar één millimeter uit elkaar: deze worden gebruikt om de melodie te spelen, terwijl de derde melodiesnaar twee functies heeft: hij kan gewoon open blijven (en dan fungeert hij ais heel hoge bourdonsnaar) of hij kan gebruikt worden om een ‘tweede stem’ voort te brengen. Uiteraard kunnen deze twee functies elkaar afwisselen tijdens hetzelfde stukje muziek. Bij de bourdonsnaren heb ik de twee laagste omgewisseld: ik heb de B-, de A- en de D-snaren van een gitaarsetje er in die volgorde opgezet. Deze zijn dan gestemd G, Cen G, wat een zeer mooie, ouderwetse kiank produceert. Je zou bijna kunnen zeggen dat het ene instrument het geluid van twee dulcimers nabootst. Maar zoals al gezegd: het is een kwestie van smaak en van experimenteren.

 

Ik heb ook ontdekt dat het gebruik van een stokje om de snaren op de frets te drukken nogal ouderwets is en heel weinig door hedendaagse (dulcimer) spelers gebruikt wordt. Toch kan dit voor zeer mooie effecten zorgen, zoals, bijvoorbeeld, het verdubbelen van een noot, een slide-guitareffect of zelfs percussieve geluiden. Het stokje wordt meestal van rozenhout gemaakt. Dus als je het besluit neemt om zo’n instrument uit te proberen, blijf dan niet uitsluitend bij de ‘vingerstijl’. Hit it with your rhythm stick… Het leerproces gaat gepaard met heel veel experimenteren. En de leerling-épinettist(e) zou veel kunnen oppikken van dulcimer- of hommelspelers.